VASTENTIJD

Dit weekend barst carnaval weer los, ik wens alle carnavalsvierders een geweldig feest toe! Na carnaval begint op Aswoensdag de Vastentijd, de veertigdaagse voorbereidingstijd op Pasen. In die periode worden gelovigen opgeroe-pen zich te bezinnen en hun levensstijl te versoberen. De Vastentijd begint met het tekenen van het askruisje op het voorhoofd. Maar waarom wordt hierbij as gebruikt? Laten we eens kijken naar de betekenis ervan.

Volgens de boeddhistische overlevering wilde de Boeddha koning Pasenadi een les geven over het leven. Hij liet de koning botten zien (soms beschreven als botten uit een crematieplaats) en vroeg: “Kunt u aanwijzen welke botten van uw vader zijn?” De koning kon dat niet. Alle botten zagen er immers hetzelfde uit.

De Boeddha gebruikte dit moment om uit te leggen dat:

1. na de dood status, macht en afkomst verdwijnen;

2. het idee van een vast “zelf” of “mijn vader” niet blijvend is, en

3. koning en bedelaar uiteindelijk hetzelfde lot delen.

De kernboodschap van dit verhaal:  afkomst, ego en identiteit hebben geen blijvende essentie. De dood maakt iedereen gelijk.

As speelt ook een rol in het bijbelverhaal van Jona: God vertelde  profeet Jona dat hij naar de stad Ninevé moest gaan om de mensen daar te waarschuwen. Ze deden namelijk veel slechte dingen en God wilde dat ze zouden stoppen met hun zonden. In plaats van gehoor te geven, besloot Jona weg te vluchten. Hij ging de tegenover-gestelde richting op en nam een schip dat naar Tarsis voer.

Hij probeerde te ontsnappen aan Gods opdracht. Terwijl Jona op het schip was, stuurde God een grote storm. Het schip dreigde te zinken en de zeelieden waren bang. Ze kwamen erachter dat de storm door Jona kwam, omdat hij God niet gehoorzaamde. Jona vertelde hen dat ze hem in de zee moesten gooien om de storm te stoppen.
Zodra Jona in de zee werd gegooid, stuurde God een grote vis (soms een walvis genoemd) om Jona op te slokken. Jona zat drie dagen en drie nachten in de buik van de vis. Daar bad hij tot God, erkende zijn fout en vroeg om redding.
God liet de vis Jona uitspugen op het droge. Daarna ging Jona naar Ninevé zoals God hem had opgedragen. Jona vertelde de inwoners van Ninevé dat ze moesten stoppen met hun slechte daden. Toen de koning van Ninevé hoorde wat Jona zei, stapte hij van zijn troon, trok zijn koninklijke kleding uit, deed rouwkleding aan en ging in de as zitten. De mensen van de stad luisterden, deden boete en keerden zich van hun slechte manieren af. God zag hun verandering en spaarde de stad (Jona 3:1-10).

Aswoensdag

De naam ‘Aswoensdag’ komt van het gebruik in vroeger eeuwen om aan het begin van de Vasten as te strooien over de hoofden van boetelingen en degenen die vastten. Het was een teken van ver-slagenheid om het eigen falen. ‘In zak en as zitten’, is nog steeds een uitdrukking die gebruikt wordt als mensen zich even geen raad meer weten. De uitdrukking komt rechtstreeks uit de Bijbel. Als mensen daar rouwen, zitten ze letterlijk in jutezakkenkleding en bestrooien zich rijkelijk met as. Het is een teken van armzaligheid, van niets-waardigheid. Zo bekent Abraham tegenover God: “Ofschoon ik maar stof en as ben” (Gen. 18,27). De heilige bisschop Johannes Chrysostomos (344-407) spreekt zijn gelovigen aan met “stof en as” als beeld van menselijke vergankelijkheid. En de middeleeuwse abdis en mystica Hildegard von Bingen (1098-1179) noemt zichzelf “een zwakke mens, van as tot as, van leem tot leem”.

In vroegere tijden waste men ook met as en kende men de zuiverende werking ervan. Niet al die gebruiken passen nog in de huidige tijd. Maar toch heeft de as op het hoofd zijn zin niet verloren.

In onze tijd, waarin veel mensen denken zelf God te zijn in een maak-bare wereld, roept de as in herinnering dat ieder mens vergankelijk is. De tekst bij uitdelen van het askruisje luidt niet voor niets: “Je bent stof en tot stof keer je terug” (Gen. 3,19). Alles gaat voorbij. God alleen blijft. Oftewel: “Bekeer u! Hecht geloof aan dit  goede nieuws” (Mc. 1,15). Bezin je op waar je mee bezig bent en kies dát, waar het in het leven echt om gaat.

Het strooien van as over de hoofden van de boetelingen is in latere tijden vereenvoudigd tot het askruisje, zoals dat tegenwoordig in de kerken wordt uitgedeeld. Het altaarmissaal laat echter nergens het woord askruisje vallen. Er wordt gesproken over het opleggen van de as, een veeg, een vlek, desnoods het hele hoofd vol. “Erkennen dat we stof en as zijn,” zoals een gebed uit de liturgie zegt.

Vastentijd

Met Aswoensdag begint de vastenperiode die duurt tot aan Pasen; dit jaar op 5 april. In deze periode worden christenen geacht zich door te vasten voor te bereiden op het belangrijkste christelijke feest, de verrijzenis van Christus, de triomf van het eeuwig leven op de dood. Tijdens de Veertigdagentijd nemen sommigen zich voor om geheel vrijwillig bijvoorbeeld weinig of geen alcohol te drinken, niet te roken of om anderszins te vasten. De christen kan hierdoor meer ruimte creëren voor God en de noden van de mensen en voor zichzelf nieuwe doelen en motieven in het leven vastleggen.

Vasten, bidden en aalmoezen geven zijn de drie bestanddelen van het christelijke vasten. Door het uitsparen van eten en/of luxe goederen komt geld vrij voor goede doelen. Vandaar dat in deze periode de Vastenactie plaatsvindt, de kerkelijke geldinzamelingsctie voor de misdeelde medemens in de ontwikke-lingslanden.

“Uit het stof van de aarde worden wij geboren, en tot stof keren wij terug. Laat de as op ons voorhoofd niet slechts een teken van vergankelijkheid zijn, maar een fluistering van hoop: dat wij vallen om te rijzen, verlaten om te vinden, en breekbaar om te groeien in Gods licht.”

Pastoor Babu