Pieter de Both, huisarts

20 mei 2020

Mevrouw V. was een patiënt van mij. Zij woonde in een aanleunwoning aan de overkant van de weg tegenover mijn huisartspraktijk. Hoewel slecht ter been kwam ik haar regelmatig elders in de wijk tegen. Een boodschappentas bungelde aan het stuur van haar rollator, die zij voorovergebogen voor zich uit duwde. Altijd vriendelijk en minzaam groetend zag ik haar zo meer in het voorbijgaan dan op mijn spreekuur. Mijn praktijk kent meer zulke alleenstaande weduwes. Als ik mij om een uur ’s middags naar de eetzaal aan de overkant begeef teneinde een visite bij een van mijn patiëntes af te leggen, tref ik verscheidene dames uit mijn praktijk aan tafel aan. Zo bezoek ik er een en houd de anderen zo’n beetje in de gaten.

Er was een dingetje waardoor Mevrouw V. zich van de anderen onderscheidde. Zij bezocht geregeld de opera en kon daar enthousiast over vertellen. “Een prachtig drama”. Haar ogen kregen dan hierbij een glans alsof zij met plezier aan iets ondeugends terugdacht.

Mevrouw V. was voor mijn aanstelling al weduwe en had geen kinderen. Zelfs geen nichtje uit een andere stad die ongerust wat aandacht voor haar tante vroeg als deze ziek was.

Mevrouw V. ging nog slechter lopen. Op het geestelijke vlak sloeg zij steeds vaker de plank mis. Zonder notie van tijd belde zij te vaak in de war en angstig bij de buren aan. Het werd tijd haar te verhuizen naar het verzorgingsgedeelte, zo werd beslist. Zodoende kwamen wij nog dichter tegenover elkaar te verkeren. Bij huiswaarts gaan altijd een groet met een zwaai van haar hand.

De dag kwam dat in verband met de corona-crisis bezoek aan het bezorgingshuis niet meer toegelaten werd. Daarmee kwam ook een einde aan de bezoekjes aan de lunchtafel. Een arts ouderenzorg nam de inpandige zorg voor alle inwoners waar. Niettemin hield Mevrouw V. het uitzwaaien van haar dokter in ere.

Maandagmiddag bleef de geheven hand uit, was de vitrage helemaal opzij geschoven en stond het raam in de kantelstand…

Pieter de Both, huisarts